Logo PKN

Menu

Draagkracht en draaglast PDF   E-mail
Des morgens kruipt een beest van vrees / door aderen en ingewanden, / en maakt mij weder tot een ander, / dan die ik slapend ben geweest.  
De eerste regels van een gedicht van Gerrit Achterberg (1905-1962). Wie het verder wil lezen, raadplege zijn Verzamelde Gedichten (VG, 108). Angst is een beest van vrees. Vrees heeft een object: ik vrees, ik ben bang voor iets of iemand. Wanneer dat object verdwenen is, heeft ook de vrees geen bestaansrecht meer. Angst graaft dieper en is meer ongrijpbaar. Het beest kan uit het gezichtsveld zijn, maar – wie weet? – loert het nog steeds ergens op ons.
Gerrit Achterberg heeft die existentiële angst ervaren. Zijn leven ging door diepe dalen heen. Het was niet zonder tragiek. Wat er gebeurde, was overigens niet alleen een lot dat hem overviel, maar ook schuld, waarmee hij in het reine moest komen. Hij worstelde ermee, ook en vooral in zijn gedichten. Ondanks alles wist hij van het wonder van de verzoening, duur betaald, door Christus, koopman in oud roest (VG, 922). Nog een belijdenis: Ik deed, van alles wat gedaan kan worden, / het meest misdadige – en was verdoemd. / Maar Gij hebt God een witte naam genoemd, / met die van Mij. / Nu is het stil geworden, / zoals een zomer om de dorpen bloeit (VG, 600; een witte naam: zie Openb. 2:17).
  Soms is dat beest van vrees niet te temmen, maar verscheurt het een mens, geheel en al. Wat kun je dan voor elkaar betekenen? Kun je elkaar enigszins bereiken? Ooit las ik een boek van professor P.C.Kuiper (1909-2002). Hij was een befaamd hoogleraar in de psychiatrie, schrijver van een reeks studieboeken, luistervink en gesprekspartner van mensen, ten einde raad. Kuiper kwam zelf in een tunnel van depressie terecht. In plaats van ‘hulpverlener’ werd hij ‘hulpbehoevend’, voor een lange periode. Hij beschreef zijn ervaringen in dat angstland in een boek: Ver heen – verslag van een depressie (1988). Het is opgedragen aan Noortje, zijn allernaaste, een dochter van professor K.H.Miskotte. Kuiper geeft een omschrijving – definitie is mij te afgemeten – van wat depressie is: de draaglast gaat de draagkracht te boven. Daardoor kan een mens ‘kopje onder’ gaan, soms ook heel letterlijk.
  Hoe verder? Ik weet geen antwoord op dit kluwen van vragen. Ten hoogste een ‘handwoord’, zoals André Troost dat noemde: een handreiking om staande en gaande te blijven. Ook in dit opzicht leef ik van het ‘gegeef’: woorden, die ten diepste van God afkomstig zijn. Ik noem er enkele. Psalm 139: HERE, Gij doorgrondt en kent mij. Veel meer dan wij elkaar en ook onszelf kennen. Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij. Hemelhoog en aardediep, zelfs in de diepten van het dodenrijk, is Hij nabij.  Zijn hand laat ons nooit en nergens los. Zelfs de duisternis is niet bestand voor Zijn licht, dat niet te doven is. Ook het boek Spreuken reikt onvergetelijke, onsterfelijke handwoorden aan. Het hart kent zijn eigen droefheid en in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen ( 14:10) Ook onder het lachen kan het hart pijn lijden (14:13). Deze weergaloze God weet de weg in, weet weg met onze radeloosheid. Hij is ons nader dan ons eigen vlees en bloed.                 G.W.Marchal   
 
< Vorige