Logo PKN

Menu

Kopje onder PDF   E-mail
Het zijn de eerste regels van een gedicht van Gerrit Achterberg (1905-1962).

.

Des morgens kruipt een beest van vrees / door aderen en ingewanden, / en maakt mij weder tot een ander, / dan die ik slapend ben geweest.

.

Het zijn de eerste regels van een gedicht van Gerrit Achterberg (1905-1962). Hij was een boerenzoon, geboren in Neerlangbroek, een dorpje tussen Doorn en Wijk bij Duurstede. Uit die streek kwam ook Ds J.T.Doornebal (1909-1975), eveneens van boerenafkomst. Zij waren (h)echte vrienden. Achterberg logeerde regelmatig in de pastorie van Oene, waar Doornebal zoveel jaren predikant was. Soms riep Achterberg midden in de nacht de andere bewoners wakker omdat hij eindelijk een woord of een regel van een gedicht gevonden had.
Angst is een beest van vrees. Het is de moeite waard daarover te mediteren. Vrees heeft doorgaans een object: ik vrees, ik ben bang voor iets of iemand. Wanneer dat object verdwenen is, heeft ook de vrees geen bestaansrecht meer. Angst graaft dieper en is moeilijk aan te wijzen. Het beest kan uit het gezichtsveld zijn, maar – wie weet? – loert het nog ergens in het struikgewas. Gerrit Achterberg heeft die angst ervaren. Zijn leven ging door diepe dalen heen. Het was niet zonder tragiek. Tragiek is een lastig woord. Wat er gebeurde, was niet alleen een lot dat Achterberg trof, maar ook schuld, waarmee hij in het reine moest komen. Hij worstelde ermee, ook en vooral in zijn gedichten. Van daar dat opstaan en roepen in de nacht. Ondanks alles wist Achterberg van het wonder van de verzoening, duur betaald, door Christus, aangeduid als koopman in oud roest, die ons, waardeloos materiaal, achteloos liggend in de berm van de levensweg, aandachtig opraapt. Achterberg pleegde ooit een moord in een vlaag van verstandsverbijstering. Hij heeft er jaren lang voor ‘gezeten’. Nog een belijdenis, een getuigenis: Ik deed, van alles wat gedaan kan worden, / het meest misdadige – en was verdoemd. / Maar Gij hebt God een witte naam genoemd, / met die van Mij. / Nu is het stil geworden, / zoals een zomer om de dorpen bloeit. Een ‘witte naam’ doet onder meer denken aan de woorden uit het laatste Bijbelboek, Openbaring 2:17.

.
Soms is dat beest van vrees niet te temmen, maar verscheurt het een mens, geheel en al. Je gaat dan – misschien ook heel letterlijk – kopje onder. De draaglast is groter dan de draagkracht. Weer woorden die het hart, de kern raken. Ik ontleen ze aan een boek van professor P.C.Kuiper (1909-2002). Hij was een befaamd hoogleraar in de psychiatrie, schrijver van een reeks studieboeken, luistervink en gesprekspartner van mensen, ten einde raad. Kuiper kwam zelf in een tunnel van depressie(s) terecht. Hij beschreef zijn ervaringen in dat angstland in een boek: Ver heen – Verslag van een depressie (1988). De rollen werden omgedraaid: van ‘hulpverlener’ werd hij ‘hulpbehoevend’, een lange periode, een martelgang. In dat kostbare boek, toonbeeld van kwetsbaarheid, geeft Kuiper een omschrijving van wat depressie mag heten: de draaglast gaat de draagkracht te boven. Ten einde raad, met de moed van de wanhoop, kan een mens – zoals gezegd – kopje onder gaan.

Hoe verder? Wat gebeurt er met de na(ast)bestaanden? Een kluwen van vragen. Ik weet geen antwoord. Ten hoogste een ‘handwoord’. Weer ga ik in de leer bij anderen. In dit geval bij een collega en vriend, André Troost. Na en naar aanleiding van de dood van een dochtertje – Hanneke, vijf jaar jong, geveld door de kanker – zoekt hij met vallen en opstaan naar een ‘handwoord’: een handreiking om staande en gaande te blijven en niet kopje onder te gaan. De Bijbel reikt zulke ‘handwoorden’ aan. Ik noem een paar voorbeelden. Psalm 139: HERE, Gij doorgrondt en kent mij. Veel meer dan wij elkaar en onszelf kennen. Wij worden gekend. Zelfs in de diepten van het dodenrijk is Hij nabij. Zijn hand laat ons nooit en nergens los. Zelfs de duisternis is niet bestand voor Zijn licht, dat niet te doven is. Ook als wij al ons houvast verliezen, mogen wij weten: wij worden vastgehouden. Ook het boek Spreuken reikt onvergetelijke, onsterfelijke handwoorden aan. Het hart kent zijn eigen droefheid en in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen (14:10). Even verder: Ook onder het lachen kan een hart pijn lijden (14:13). Deze weergaloze God weet de weg in, weet weg met onze radeloosheid. Hij is ons nader dan ons eigen vlees en bloed. Hij is de ALLERNAASTE.
                                                                                                         G.W.Marchal

 
< Vorige   Volgende >