Logo PKN

Menu

Het tweede gebod PDF   E-mail
Ik ben een na-ijverig God die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten (Exodus 20 : 5).

  Op 9 september mediteerde ik ’s avonds over dit gedeelte in de zangdienst in onze kerk. N.a.v. vragen hierover wijd ik er nog wat over uit.
  Allereerst wil ik een misverstand uit de weg ruimen. Heel vaak is dit gedeelte als volgt uitgelegd: Een vader heeft gezondigd en God bestraft die zonde; Hij bestraft voor die zonde ook de kinderen, de kleinkinderen en zelfs de achterkleinkinderen. Dat nageslacht is niet schuldig aan de betreffende zonde van de (over)(groot)vader maar krijgt wel de straf gepresenteerd. Zou dat de bedoeling zijn? Zou het zo uitgelegd moeten worden. God komt volgens de tekstwoorden op bezoek om de zonde te bestraffen maar voor dat nageslacht is het geen liefdevol huisbezoek maar een huiszoeking. Met dit laatste verwijs ik naar het thema van de zangdienst van 9 september.
  Als het zo zou moeten worden uitgelegd, dan zou dat in strijd zijn met Ezechiël 18, waar de profeet nadrukkelijk ieder persoonlijk verantwoordelijk houdt voor zijn zonde. Ezechiël komt in het geweer tegen de uitspraak die in Israël gebezigd werd: de vaderen hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee (stroef) geworden.
  Als het zo niet moet worden uitgelegd, hoe dan wel? Onze tekst veronderstelt het grootgezin, waar de generaties in één woonplek bij elkaar blijven wonen. Als een vader slechte dingen doet, het slechte voorbeeld geeft, dan wordt dat als vanzelf door zijn kinderen, klein- en achterkleinkinderen overgenomen. Ze worden vanzelf meegenomen in de zuigkracht van het kwaad. In zekere zin kunnen ze er niets aan doen dat ze in zo’n milieu opgroeien en toch worden ze in toenemende mate er ook verantwoordelijk voor als ze in die zonde blijven. Als God ze dan straft, dan is het omdat ze het slechte voorbeeld van hun vader volgen en er geen afstand van genomen hebben. Maar ze zijn individueel verantwoordelijk.
  Het tweede gebod roept het beeld op dat God een bezoek brengt bij zo’n groot
gezin. En dan wordt het Hebreeuwse woordje paaqad gebruikt, het woordje dat ook gebruikt wordt in Ruth 1 : 6. Ruth hoort in het veld van Moab dat de HERE naar zijn volk had omgezien door hun brood te geven. Voor dat woordje omzien wordt datzelfde woord paaqad gebruikt. Dat woordje paaqad omvat het liefdevol omzien naar de kwetsbare. In dat licht mogen we Gods bezoek aan dat grootgezin zien in Exodus 20 : 5. Hij ziet om naar dat gezin waar de vader de fout is ingegaan. Met verdriet ziet Hij dat het slechte voorbeeld wordt overgenomen. In barmhartigheid gaat Hij tijdens dat bezoek het gesprek aan met allen: besef dat het niet goed gaat als je op dat slechte pad van vader verder gaat. Besef dat het gevolgen heeft als je dat pad blijft volgen. We horen God als het ware zeggen: ik zal dat slechte gedrag moeten straffen, maar hoor me goed: er is me alles aan gelegen dat ik dat niet hoef te doen. Daarom doe ik een dringend beroep op jullie: bekeer je; wend je af van het slechte pad. Dat is een liefdevol “omzien naar” waar de dingen eerlijk benoemd worden maar waar de opzet is dat het heil gevonden wordt.
  Zo’n huisbezoek is een liefdevolle ontmoeting en het tegendeel van een huiszoeking waar een grillige God kijkt of Hij iets kan vinden waar Hij kritiek op kan hebben. Het vervolg van het vers zet alles in nog groter licht als beloofd wordt: “maar die barmhartigheid doe aan duizenden dergenen die Mij liefhebben”.
  Een meditatie in een zangdienst is kort en laat de belangrijkste conclusies zien en kan niet (zoals in een preek) de achtergronden uitwerken. In heel veel kerken mogen preken ook niet langer duren dan vijf a tien minuten en kunnen zulke achtergronden ook niet belicht worden. Wij prijzen ons gelukkig dat er in onze gemeente de ruimte is voor een preek waar de tijd voor genomen wordt en zaken als hierboven benoemd kunnen worden.

.

Ds. J. R. Lammers

 
Volgende >